Natuurlijke scheefheid

” Van natuurlijk evenwicht, naar rijkunstig evenwicht”.

Net als wij mensen zijn paarden van nature scheef. Dat is in principe geen probleem, echter als we niet op het paard zouden gaan rijden….

Doen we dat wel, dan onstaat er een ongelijke belasting meestal op één van de twee voorbenen en onstaat er overbelasting. Hieronder enkele punten die kunnen ontstaan bij het berijden van een paard die niet wordt rechtgericht:

  • Kreupelheid.
  • Hoefkatrolonsteking.
  • Kissing spines.
  • Artrose in wervels.
  • Rugproblemen. 

Naast fysieke problemen kunnen er ook rijtechnische problemen zijn die voortvloeien uit het bereiden van een paard in zijn natuurlijke evenwicht. Een aantal daarvan zijn:

  • Het bit vaspakken aan één kant.
  • De ruiter en het zadel naar één kant zetten, waardoor deze scheef komt te zitten.
  • Op de volte over de buitenschouder vallen.
  • Op de volte op de binnenschouder vallen.
  • Het paard gaat steeds harder rennen (bv op de kleine volte) om zijn evenwicht te bewaren.
  • Niet nageeflijk zijn.
  • De rug vast houden en niet kunnen loslaten.
  • Niet kunnen halsstrekken.
  • In de verkeerde galop aanspringen.
  • Het hoofd kantelen.
  • Gespannen lopen met korte pasjes.
  • Dribbelen
  • De ruiter niet laten doorzitten.
  • Sloom lopen.
  • Zwaar in de hand zijn.
  • Naar één kant de oefening wel willen uitvoeren, maar op de andere kant niet.
  • Niet kunnen afwenden.
  • Teugelkreupelheid.
  • Staartzwiepen.
  • Tandenknarsen.
  • Steigeren / bokken / staken.
  • En nog veel meer…..

Als we een paard willen berijden dan is het dus van groot belang dat hij niet in zijn natuurlijke evenwicht, maar in rijkunstig evenwicht wordt getraint.

Door middel van rechtrichtende buigingsoefeningen wordt het paard symmetrisch ontwikkeld in lijf en ledematen. Het paard wordt sterker en buigzamer in de achterhand waarmee hij meer gewicht zal gaan opnemen (verzameling). Het paard zal steeds meer in een opwaartste houding gaan bewegen (oprichting). 

                                                   

Dit ontlast de fragiele voorbenen en er onstaat meer schoudervrijheid. Hierdoor kan hij de ruiter beter dragen zonder zichzelf te overbelasten en tot op hoge leeftijd worden bereden.

Belangrijk is om alle dimensies van scheefheid te kennen voordat je met het rechtrichten kan beginnen.

  1. Laterale scheefheid (links- of rechts gebogen in het lichaam).
  2. Links-  of rechtshandigheid in de voorbenen.
  3. Links- of rechtsbenigheid in de achterbenen.
  4. Diagonale scheefheid ( Het zwaartepunt bevindt zich i.p.v in het midden van het paard, richting één van de twee voorbenen).
  5. Horizontale scheefheid ( Het paard draagt  te veel gewicht op de voorbenen).
  6. Voor en achter d.w.z. Het schraag bewegen van het paard, omdat de voorhand smaller is dan de achterhand.
  7. Verticale scheefheid ( Als je het paard van voren bekijkt in bv galop, zie je dat het gewicht meer op zijn linker- of  rechter voorbeen wordt gezet).
  8. Onder en boven d.w.z. Een verkeerde houding van de rug en buikspieren als deze dimensies in scheefheid niet worden rechtgericht. Het hoofd wordt hoog gedragen, de rug is hol en gespannen en de buikspieren worden niet goed aangespannen.

1. Laterale scheefheid

                       

Een links gebogen paard.                    Een rechtsgebogen paard.

2. Links- of rechts handig

In de wei kan je vaak goed zien of je paard links- of rechtshandig is .Het handigste been staat vaak voor met grazen. Het is te vergelijken met de links- of rechtshandigheid van mensen. Een paard vangt zichzelf na een sprong bijvoorbeeld het beste op met zijn handigste been.

3. Links- of rechts benig

Hierbij zie je dus een stuwend been en een buigzaam en dragend been. Het meest buigzame been van het paard is het sterkste been en wordt dan ook benoemd tot rechts- of linksbenig.

4. Diagonale scheefheid

Hierbij zie je links dat het zwaartepunt precies in het midden hoort te liggen bij een rechtgericht paard.

Maar op het rechterplaatje zie je dat het zwaartepunt verschuift naar het rechtervoorbeen doordat het paard teveel stuwt met zijn linkerachterbeen.

Hierdoor valt het rechtsgebogen paard van nature op de rechtervolte over de buitenschouder.

En een rechtsgebogen paard valt op de linkervolte van nature op de binnenschouder.

Bij een linksgebogen paard geldt het tegenovergestelde.

5. Horizontale scheefheid

Het paard draagt hier teveel gewicht op de voorhand waardoor er geen schoudervrijheid is. De fragiele voorbenen worden op deze manier teveel belast.

6. Verhouding voor en achter

De schouderpartij van het paard is smaller dan de achterhand waardoor het paard vaak scheef loopt ten opzichte van de achterhand.

7. Verticale scheefheid

Doordat een paard snelheid maakt en een relatief korte bocht moet maken, gaat hij als het ware plat door de bocht. Te vergelijken met motorcrossers.

8. Verhouding onder en boven

Als wij een zware rugzak moeten tillen, dan tillen wij die beter met een bolle rug en aangespannen buikspieren. Dat geldt voor een paard ook. Als een paard een ruiter draagt dan is dat beter voor hem met een gewelfde rug en aangespannen buikspieren. Ter voorkoming van blessures.